Essay over het belang van fantasie en verbeelding voor het jonge kind
auteur Sanne van der Kaaij
Wat vermeldt brononderzoek over het belang van fantasie en verbeelding op jonge leeftijd en hoe wordt hier in de onderbouw van het regulier primair onderwijs rekening mee gehouden?
En hoe kunnen fantasie en verbeelding van kleuters gestimuleerd worden door de kleuterleerkracht?
Introductie en aanleiding
Na heel wat jaren werkervaring als pedagogisch professional in de kinderopvang en anderhalf jaar als docent Beeldende Vorming in het Voortgezet Onderwijs, waarbij ik les heb gegeven aan opgeteld ongeveer vijfentwintig klassen vol pubers, heb ik kunnen constateren dat veel jonge kinderen best moeite hebben met vrij en fantasievol werken. Hoe vaak geef ik stoepkrijt en worden er weer eens hartjes getekend. Bij het uitdelen van blanco tekenpapier volgt massaal de opmerking: ‘Ik weet niet wat ik moet tekenen’. Of er wordt eerst gekeken wat de ander tekent en daarna wordt dit vrolijk nagedaan.
Bijna bij alle leeftijdsgroepen waar ik werk als allround pedagogisch professional, wordt door kinderen vaak gevraagd om kleurplaten of het mogen spelen op een spelcomputer. Het lijkt lastig iets zelf te verzinnen en vervelend om je even te vervelen.
Als docent in het middelbaar onderwijs lesgevend aan heel wat onderbouwklassen op verschillende leerniveaus wordt, vooral bij opdrachten die een beroep doen op de fantasie en verbeelding, al snel om concrete voorbeelden gevraagd en bij klasgenoten ‘afgekeken’:
Zélf iets bedenken? Hoe moet dat??
Terugkijkend naar mijn eigen jeugd in de jaren ‘70 en ‘80, kan ik mij niet herinneren dat ik en klasgenoten zo veel moeite hadden met de fantasie en vrije creatieve opdrachten.
Kortom: is er mogelijk iets veranderd?
Maar óók bedenk ik mij, er is in de tussentijd ook zó veel veranderd dat dit niet te vergelijken is.
In zo ongeveer de afgelopen tien jaar zijn verbeelding, verwondering en fantasie onderwerpen die mij fascineren. Zo'n tien jaar geleden, bij het maken van beeldend afstudeerwerk over verwondering bij ArtEZ in Zwolle, werd ik geraakt door de gedrevenheid van Mark Mieras, wetenschapsjournalist, die in een video (Etuconsult, 2012) sprak over het belang van kunstonderwijs en creativiteits- ontwikkeling, vooral ook in het basisonderwijs. Hij legt heel duidelijk uit waarom het stimuleren en ontwikkelen van creativiteit belangrijk is voor onze kenniseconomie.
Daarmee wordt bedoeld een economie waar de productie en het gebruik van kennis en informatie de belangrijkste drijfveren zijn voor groei, innovatie en welvaart, in plaats van bijvoorbeeld grondstoffen of fysieke arbeid.
Verbeelding en fantasie zijn als een rode draad aanwezig in bijna al mijn beeldend werk. Zo maakte ik vorig jaar fantasieplaten uit werk van mijn ArtEZ periode tien jaar geleden in Zwolle en schaduw-theaters voor kleine kinderen voor een ander vak.
Het effect van de schaduwtheaters op kinderen heb ik toen niet in de praktijk getest, maar heb de docent tijdens mijn eindpresentatie bereid gevonden te doen alsof deze een vierjarig kind was, om de werking van het schaduwtheater te demonstreren.
Omdat ik toen al verwachtte dat ik het schaduwtheater in de praktijk in een kleuterklas zou gaan testen voor dít theoretisch onderzoek, heb ik dit toen niet gedaan. Ook in eigen schilderijen en tekeningen en verhalen die ik niet voor ArtEZ maak, komen meestal fantasiefiguren voor.
Graag wil ik in dit onderzoek kort inzoomen op wát de invloed is op het brein en het gedrag tijdens de ontwikkeling bij jonge kinderen die worden geboren in deze best complexe kenniseconomie.
Wat is de uiteindelijke invloed van het leven, leren en opgroeien in deze maatschappij op het vermogen tot verbeelden van verhalen, ideeën, gedachten, ervaringen, gevoelens?
Hier zal ik aandacht aan besteden bij deelvraag 3 van hoofdstuk 1.
De kenniseconomie is een begrip dat in de jaren negentig opkwam. Het staat voor een nieuw tijdperk waarin kennis en informatie de economie en samenleving vormgeven. Toegang tot informatie, en het kunnen begrijpen ervan, het toepassen ervan, is daarin heel belangrijk voor onze ontwikkeling. Het idee ontstond door de groei van informatie en technologie. Door de opkomst van computers en het internet is onze manier van leven en hoe we leren en werken heel erg veranderd.
Bij het zoeken naar de juiste bronnen tref ik veel teksten waarin min of meer een pleidooi wordt gehouden voor het belang van kunsteducatie en het aanwakkeren van meer aandacht voor creativiteitsontwikkeling in het Nederlands onderwijs. De invloed hiervan én de basis die gelegd wordt voor andere vakken zoals taal en rekenen moet ook niet worden onderschat.
Citaat uit een artikel in Cultuur+Educatie ‘Ik maak een kompas dat altijd bij je is!’
(Saaltink, 2022):
‘Verbeelding geldt als een belangrijke motor voor de cognitieve ontwikkeling. De ontwikkeling van sensomotoriek naar betekenis geven in spel en exploreren vormt een brede basis voor het abstractere denken’.
Om ons als mens zo goed mogelijk verder te ontwikkelen is het de vraag op welk moment in de ontwikkeling we toe zijn aan welke manier van leren en doen we dit op dit moment wel goed? Het geeft stof tot nadenken.
Hypothese
Het is belangrijk om al op jonge leeftijd verbeelding en fantasie te stimuleren, maar in het huidige onderwijs lijkt de aandacht voor de basisvaardigheden in de weg te staan voor het geven van goed kunstonderwijs en daarmee dus het stimuleren van de verbeelding en fantasie.
Hoofdvragen
Wat vermeldt brononderzoek over het belang van fantasie en verbeelding op jonge leeftijd en hoe wordt hier in de onderbouw van het primair onderwijs rekening mee gehouden?
En hoe kunnen fantasie en verbeelding van kleuters gestimuleerd worden door de kleuterleerkracht?
Deelvragen
- Wat is het belang van de hersenontwikkeling om fantasie en verbeeldingskracht op jonge leeftijd te stimuleren?
- In relatie tot deelvraag 1: Wat is de visie hierop van basisschoolleerkrachten en hoe staat het in Nederland met de huidige leerplanontwikkelingen m.b.t. Kunst en Cultuur in de onderbouw van het primair onderwijs?
- Wat is de invloed van de kenniseconomie op de creatieve ontwikkeling?
- Wat is het effect van alle digitale prikkels op jonge kinderen?
- Welke zaken stimuleren verbeelding en fantasie?
Onderzoeksopzet
Ten behoeve van mijn eerste hoofdvraag en brononderzoek gebruik ik theoretische bronnen. Voor mijn tweede hoofdvraag gebruik ik praktijkbronnen, door een praktijkexperiment in een kleuterklas en door de visie te bevragen van een leerkracht en een onderbouwcoördinator in het regulier primair onderwijs. Ook heb ik gesprekken gevoerd over mijn onderzoeksvragen met collega's en andere kleuterleerkrachten waarbij de wens is uitgesproken het gesprek niet in mijn onderzoeksverslag te noteren. In totaal heb ik met ongeveer tien professionals gesproken, waarvan twee toestemming hebben gegeven voor anonieme publicatie.
De school die ik voor mijn praktijkonderzoek heb gekozen is een reguliere RK basisschool behorend tot een kindcentrum en men werkt daar vanaf groep drie met kunstlessen die worden verzorgd door vakdocenten via een externe culturele organisatie en nog niet in de kleuterklassen. Wat mij vooral aansprak is dat binnen de visie van deze basisschool creativiteit als één van de belangrijke pijlers wordt benoemd. Het maakte mij gemotiveerd juist hier een praktijkonderzoek te doen en te ervaren wat deze visie betekent voor de kleuterklassen.
Met het begrip ‘reguliere school’ bedoel ik een basisschool voor openbaar onderwijs en óók een basisschool die uitgaat van een godsdienst of levensovertuiging. Ook op deze scholen staat men vandaag de dag open voor vrijwel ieder kind. Kortom een basisschool waar niet wordt gewerkt vanuit een specifiek onderwijsconcept en waar les wordt gegeven vanuit bepaalde ideeën over opvoeding en onderwijs. Zoals bijvoorbeeld op een Vrije school waarbij het onderwijs juist allereerst aansluit op het gevoelsleven van het kind.
Mijn keuze voor een ‘reguliere’ basisschool ligt in het feit dat het overgrote deel van de basisscholen in Nederland regulier basisonderwijs biedt en mijn keuze voor de gekozen school daarmee representatief is voor naar welk onderwijs een gemiddeld Nederlands kind doorgaans zal gaan.
Een korte zoektocht op internet geeft een beetje inzicht in de verdeling hierin, er zijn ongeveer 6.534 reguliere basisscholen in Nederland. Er zijn ongeveer 417 Dalton basisscholen, 162 Montessori basisscholen, 102 Vrije (basis)scholen, 190 Jenaplan basisscholen en 11 Freinet basisscholen.
Hoofdvraag 1
Wat vermeldt brononderzoek over het belang van fantasie en verbeelding op jonge leeftijd en hoe wordt hier in de onderbouw van het regulier primair onderwijs rekening mee gehouden?
Deelvraag 1
Wat is het belang voor de hersenontwikkeling om fantasie en verbeeldingskracht al op
jonge leeftijd te stimuleren?
Het stimuleren van fantasie en verbeeldingskracht bij jonge kinderen is zeer belangrijk voor de ontwikkeling van het verbeeldend vermogen en zou gezien moeten worden als een essentiële, neurologisch onderbouwde onderwijspraktijk (Lamers, 2022).
We zouden de magie van de kleuter moeten koesteren, omdat het hét gereedschap is waarmee het kind zichzelf bouwt en emotionele kracht opdoet voor de rest van zijn leven (Fraiberg, 2010).
Twee alles zeggende zinnen over dit belang die ik tegen ben gekomen in mijn theoretische bronnen.
Bekend als deskundige op het gebied van het brein en bekend van televisie is Prof. Dr. Erik Scherder, hij pleit o.a. voor cultuuronderwijs in voorscholen en legt heel helder uit dat het brein bestaat uit twee soorten stof, de grijze stof (de hersengebieden) en de witte stof. Die witte stof verbindt deze grijze hersengebieden aan elkaar en die witte stof zorgt ervoor dat we gestructureerd werken, problemen oplossen, initiatief nemen, creatief denken, flexibel denken én gemotiveerd zijn.
De witte stof verbindingen groeien na je geboorte nog door, van nul tot dertig jaar. Dus juist in die hele vroege jeugd al kun je grote stappen maken om die contactpunten (de neurologische verbindingen) te ontwikkelen. En als die contactpunten er zijn, wil je ze ook houden. Dit kun je doen door jonge kinderen van jongs af aan op te laten groeien in een verrijkte omgeving. Het brein wordt zo steeds complexer en kinderen leren meer en beter nadenken. Ze hebben een omgeving nodig die nieuw en uitdagend is en waar je moeite moet doen (Mocca TV, 2023).
Het stimuleren van fantasie en verbeelding is belangrijk voor verschillende functies van de hersenen. Fantasiespel activeert zowel de creatieve rechterhersenhelft als de analytische linkerhelft en het versterken van deze neurologische verbindingen tussen hersengebieden is essentieel voor complex denken en probleemoplossend vermogen (Lamers, 2022). Verbeeldingskracht traint executieve hersenfuncties zoals zelfregulatie, bijvoorbeeld emoties beheersen tijdens rollenspel, het werkgeheugen zoals verhaallijnen onthouden en flexibel en snel kunnen wisselen tussen realiteit en fantasie.
Jonge kinderen maken een fase door van magisch denken en deze fase leidt tot een enorme fantasiewereld en kinderen moeten de tijd krijgen die ten volle te beleven (Goorhuis-Brouwer, 2018).
We zouden ze niet steeds moeten opzadelen met het introduceren en trainen van cognitieve vaardigheden, want zoals Goorhuis-Brouwer beschrijft, horen die vaardigheden bij een later moment in de kinderlijke ontwikkeling.
Sprookjes en fantasieverhalen sluiten aan bij de magische denkwereld van kleuters en als zij zich vervolgens zelf inleven in rollen (prinses, superheld, dier) ontwikkelen ze daarmee ook empathie (andere perspectieven begrijpen), sociale vaardigheden (samenwerken in fantasiespel) en emotionele veerkracht (angsten verwerken via symboliek), kortom het stimuleert de sociale ontwikkeling. Via verbeelding kunnen kinderen veilig emoties verkennen en verwerken, ze kunnen in een rol gevoelen van angst, verdriet of macht ervaren en daarmee experimenteren en daarmee leren emoties te reguleren. Lamers zou dit zien als een integratie van emotionele en cognitieve hersenfuncties.
Samenvattend
Vroege investering in verbeeldingskracht legt de basis voor veerkracht, innovatie en emotionele intelligentie op latere leeftijd. Het zorgt voor flexibiliteit in het denken, wat volgens Scherder, Lamers en Goorhuis, zo broodnodig is voor de kenniseconomie waarin we leven.
Deelvraag 2
Wat is de visie van basisschoolleerkrachten en hoe staat het in Nederland met de huidige leerplanontwikkelingen?
Leerkrachten laten kleuters vaak allemaal dezelfde werkjes maken. Als zij meer aandacht zouden besteden aan de kwaliteit van beeldend onderwijs, zouden kinderen in korte tijd grote sprongen maken in de ontwikkeling van hun beeldend vermogen (van Onna & Jacobse, 2025).
Met een kleuterleerkracht en een onderbouwcoördinator en diverse andere beroepsbeoefenaars van reguliere basisscholen ben ik in gesprek gegaan over de volgende vragen:
- Op basis van de huidige kerndoelen: wat staat er in het leerplan van school voor kleuters als het gaat om het ontwikkelen van fantasie/verbeelding?
- Kun je iets vertellen over hoe je als leerkracht het proces van creatieve ontwikkeling bij kleuters stimuleert en volgt?
- Het SLO actualiseert de kerndoelen (voor wat betreft Kunst en Cultuur meer aandacht voor het ontwikkelen van verbeelding), wat is jouw visie als leerkracht op dit gebied? Is het belangrijk hier juist aandacht aan te besteden voordat er gestart wordt met het leren lezen en rekenen etc.?
- Heb je ideeën hoe je de ontwikkeling van creativiteit (verbeelding/fantasie) het beste kunt begeleiden bij kinderen in groep 1 en 2?
De uitwerking van twee interviews, met een leerkracht en onderbouwcoördinator, is toegevoegd aan dit brononderzoek. Samenvattend constateer ik een bewustwording dat er vandaag de dag in de kleuterklassen niet heel bewust aan het stimuleren van fantasie en verbeelding van kleuters wordt gewerkt, dat dit min of meer opgaat in de thema's waaraan wordt gewerkt. De ontwikkeling wat dit betreft wordt niet specifiek gevolgd. Er zijn wel ideeën hoe fantasie en verbeelding gestimuleerd kunnen worden, de kinderen bijvoorbeeld vragen mee te denken over een thema. In de praktijk bedenken de leerkrachten zelf van tevoren welke werkstukken er gemaakt gaan worden aangezien dit praktischer is in de uitvoering. De aandacht gaat voornamelijk uit naar de motorische vaardigheden en het leren van basisbegrippen, voorbereidend voor het leren lezen, schrijven en rekenen.
Na schriftelijk contact met een SLO-curriculumontwikkelaar op het gebied van kunst en cultuur, concludeer ik dat er vandaag de dag door SLO (nog) geen visie is opgeschreven ten behoeve van het actualiseren van de kerndoelen voor kunst en cultuur die is toegespitst op de onderbouw in het primair onderwijs. De ontwikkelaar stuurde mij een reviewstudie van het Lectoraat Kunsteducatie van de Amsterdamse hogeschool voor de Kunsten, ‘Wat werkt in kunstzinnige oriëntatie’ binnen het primair onderwijs met daarbinnen een nadruk op de leeftijdsgroep 10-12 jaar; in enkele gevallen waren ook onderzoeken onder leerlingen uit het voortgezet onderwijs (vo) gebruikt.
Ik constateer dat het in deze reviewstudie niet gaat over de kleuterdoelgroep van mijn onderzoek.
Ook het beroepsprofiel PO en Kinderopvang (gepubliceerd voor studenten op het leerpodium van ArtEZ Arnhem DBKV) bevestigt dat op dit moment, als het gaat om peuters en kleuters, expliciet het werken aan de ontwikkeling van verbeelding nog niet wordt genoemd.
In het document Curriculumbegrippen 2025 van SLO (Stichting Leerplan Ontwikkeling) zijn de kerndoelen voor kunst en cultuur te vinden waarbij de definitie van een kerndoel een uitgebreider omschrijving heeft gekregen.
De kerndoelen waarmee de reguliere basisscholen vandaag de dag werken is nog van 2006 en zijn te definiëren als een wettelijk aanbodsdoel dat beschrijft waar leerlingen mee in aanraking moeten komen.
De kerndoelen zijn geactualiseerd en als deze in werking treden zijn ze te definiëren als een wettelijk doel dat beschrijft waar leerlingen mee in aanraking moeten komen, maar ook welke inspanning van hen wordt verwacht met het oog op ervaringen, of wat ze uiteindelijk moeten beheersen.
De huidige kerndoelen voor kunstzinnige oriëntatie in het primair onderwijs kort samengevat:
De leerlingen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om ermee te communiceren (54), ze leren op eigen werk en dat van anderen te reflecteren (55), ze verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van cultureel erfgoed (56).
De toekomstige kerndoelen (document actualisatie, kerndoelen kunst en cultuur) in het primair onderwijs lijken de leerkrachten meer handvatten te geven als het gaat over verbeelding.
De kerndoelen kort samengevat: De leerling ontwikkelt artistiek creatief vermogen – creatieve maak- en denkstrategieën, ontwikkelen van creatieve vermogens, betekenis geven (35), maakt kunstzinnige uitingen – verbeelden en creëren, kunstzinnige technieken en vaardigheden (36), maakt kunst en cultuur mee in context (37).
Kerndoelen lijken voornamelijk beschreven voor de bovenbouw leerling in het primair onderwijs. Bij kerndoel 36 (de leerling drukt zich uit in vormen van kunst) gaat het om het gebruiken van verbeeldende elementen uit beeldende kunst en muziek, alsmede van dans, of film, of theater bij het maken van eigen werk.
En ook het verbeelden van verhalen, ideeën, gedachten, ervaringen en gevoelens.
Uit een artikel van Kennis Rotonde (online loket voor de beantwoording van actuele kennisvragen uit en over het onderwijs) Lectoraat Kunsteducatie et al. (2024), met als vraag of uit de literatuur bekend is welke didactische benadering aanzet tot, en bijdraagt aan de ontwikkeling van creatief denken bij kinderen, blijkt dat creatief denken nog geen duidelijke plaats heeft in de documenten die sturend zijn voor de inrichting van de curricula van het funderend onderwijs. Dat blijkt uit zowel Nederlands als internationaal onderzoek.
In mijn conclusie op dit brononderzoek reflecteer ik kort op de verandering in de kerndoelen en de plaats die verbeeldend en fantasievol denken lijkt te hebben binnen de curricula in de onderbouw van het primair onderwijs.
Samenvattend heb ik bij mijn praktijkbronnen tijdens interviews met leerkrachten bewustwording bemerkt over het belang van het stimuleren van fantasie en verbeelding bij kleuters voordat zij starten met leren lezen, schrijven, rekenen etc. In Nederland is een actualisatie gaande van de kerndoelen voor het vak Kunst en Cultuur waarbij de ontwikkeling van verbeelding een iets grotere rol mag gaan spelen, de aandacht voor het curriculum lijkt met name uit te gaan naar de bovenbouw van het primair onderwijs.
Deelvraag 3
Wat is de invloed van de kenniseconomie op fantasie en verbeelding bij jonge kinderen?
In mijn inleiding schrijf ik over de oorsprong van mijn fascinatie voor dit onderzoek. Tijdens mijn onderzoek voor mijn beeldend werk over fantasie voor ArtEZ Zwolle in 2015, ontdekte ik de pleidooien van wetenschapsjournalist Mark Mieras over het belang van meer kunstvakken in het primair onderwijs. Mieras legt uit dat als je nieuwe producten wil ontwikkelen, je creatief moet zijn en dat het belang van creativiteit veel verder gaat dan dat. Als je leerlingen van jongs af aan al leert te vertrouwen op hun inventiviteit, om te experimenteren dan bouwen ze creatieve hersenen. Ze leren spelen in hun hoofd. Een goede drama docent leert zijn leerlingen niet alleen wie Shakespeare was, maar ook wie ze zelf allemaal zouden kunnen zijn. En dat is belangrijk om flexibel in het leven te staan. Bevlogen vertelt Mieras dat leerlingen van nu zichzelf elf keer opnieuw zouden moeten uitvinden in hun leven, omdat ze elf verschillende functies zullen doorlopen en dertig procent van die functies kennen we nog helemaal niet. Daarom benadrukt hij het belang om flexibele mensen op te leiden, mensen die zelf een leven lang blijven ontwikkelen en dat kunst daar een belangrijke rol in kan spelen. Al zijn er rijkelijke voordelen om op te groeien in een kenniseconomie, vanwege de onbeperkte toegang tot kennis en inspiratie en het bestaan van krachtige digitale hulpmiddelen, Mieras bevlogen woorden om kunstvakken in het primair onderwijs te promoten, blijven zeer relevant voor dit brononderzoek.
De volgende vraag heb ik gesteld aan een curriculum ontwikkelaar op het gebied van Kunst en Cultuur bij het SLO: “Als ik de kerndoelen (uit 2006 en de geactualiseerde) met elkaar vergelijk, verandert er veel, misschien interpreteer of verwoord ik het verkeerd, maar het lijkt erop dat in het kader van deze actualisatie in het primair onderwijs meer aandacht ontstaat voor verbeelding. Hoe kijkt SLO hiernaar in relatie tot veranderingen in de maatschappij en heeft u hier een voorbeeld van?”
Het antwoord dat ik hierop kreeg was dat de aandacht voor verbeelding natuurlijk niet uit de lucht komt vallen, maar dat de aandacht voor de basisvaardigheden in de weg lijkt te staan voor het geven van goed kunstonderwijs. Blijkbaar vinden we als maatschappij de ontwikkeling van creativiteit en verbeelding minder belangrijk (geworden) schrijft ze in haar antwoord. Deze curriculumontwikkelaar geeft aan dat het juist belangrijk is dat er aandacht is voor het kunstonderwijs.
Het lijkt alsof er een verschuiving is ontstaan, het wordt steeds belangrijker gevonden om zo vroeg mogelijk een ‘voorsprong’ te creëren. De nadruk lijkt sterk te liggen op het voorbereiden op het formele leren in plaats van alleen op spelend ontdekken. Men presenteert didactische methoden als spelletjes, maar dit gaat dan wel ten koste van het vrije spel. Het doel is dan steeds om vaardigheden te ontwikkelen die voorbereiden op schoolse vaardigheden (Goorhuis-Brouwer, 2018. Om te zorgen dat de kleuter ‘op schema’ ligt, worden vorderingen vroeg en systematisch gevolgd met behulp van observatie instrumenten (zoals Kijk!). Dit observeren start overigens al bij het consultatiebureau en in de kinderopvang. Bij eventuele achterstanden komt een advies (of verplichting) om het kind naar de opvang te brengen in het kader van Voor- en vroegschoolse educatie.
Vaardigheden als samenwerken, communicatie zijn essentieel in een kennis gedreven samenleving, in de kleuterklas zie je dit terug in de meer gestructureerde opdrachten, kringgesprekken over oplossingen en projectmatig werken rondom een thema.
Zo lees ik in het hoofdstuk ‘de vigerende praktijk’ (Goorhuis-Brouwer, 2018) over
David Bjorkland (psycholoog), deze pleit ook voor een kleuterleven dat niet in een hogedrukpan wordt gestopt.
Hij beschrijft het als dat wij in een haastige wereld leven, maar dat kinderen nog steeds de tijd nodig hebben om kind te zijn. Anders krijgen we jeugdige grijsaards en volwassen kinderen.
Samenvattend heeft het opgroeien in een kenniseconomie zowel voor- als nadelen voor de ontwikkeling van fantasie en verbeelding. Het voorbereiden voor deze kenniseconomie is duidelijk terug te zien in het reguliere kleuteronderwijs waar over het algemeen gestructureerd en thematisch gewerkt wordt. Welke invloed het opgroeien in deze kenniseconomie uiteindelijk heeft zal de toekomst ons leren.
Deelvraag 4
Wat is het effect van alle digitale prikkels op jonge kinderen?
In de richtlijn gezond schermgebruik 2025 wordt balans geadviseerd om schermtijd te combineren met vrije activiteiten zoals buitenspelen, bewegen en creatief spel. De 20-20-2 regel is een goede richtlijn: na 20 minuten schermtijd, 20 seconden in de verte kijken en daarna 2 uur lekker buiten spelen. Voor kinderen tussen vier en acht jaar wordt maximaal één uur per dag geadviseerd en geen sociale media onder de dertien jaar. Wat daadwerkelijk de effecten voor een menselijk brein op de lange termijn in de toekomst zijn, daarover bestaat nu nog geen onderzoek. In mijn zoektocht naar bronnen lees ik informatie van een universiteit over het doen van een onderzoek op welke wijze je kleuters kunt leren programmeren. Dit staat lijnrecht tegenover een dergelijk advies.
Een artikel van het Trimbos instituut bevestigt dat jonge kinderen vaak zonder begeleiding van ouders achter een scherm zitten. Het digitaal mediagebruik onder jonge kinderen blijkt gemiddeld 1 uur en 51 minuten per dag, waarvan 1 uur en 39 minuten voor een scherm en 12 minuten voor luisteren naar media of bellen zonder beeld. Het advies is vooral om samen met jonge kinderen achter een scherm plaats te nemen.
Om als volwassene van de toekomst een waardevolle bijdrage aan de maatschappij (economie) te leveren (nieuwe technologie, nieuwe werkmethoden, ontwerpen van producten, ontwerpen van gebouwen enzovoorts), is het waardevol als je van jongs af aan hebt geleerd om creatief met alles wat op je pad komt om te gaan, om jezelf de tijd te geven inspiratie op te kunnen doen door met aandacht naar iets te kijken en dit langzaam op je in te laten werken.
‘Als je kleine vissen wilt vangen kun je in ondiep water blijven, maar als je grote vissen wilt, moet je de diepte in’ (Dijksterhuis, 2022) een citaat van de filmmaker David Lynch die vissen vergeleek met ideeën. Voor het echte denkwerk, voor vernieuwingen in kunst en wetenschap, moet je niet aan de oppervlakte blijven maar de diepere lagen van je onbewuste aanspreken. En hoe groter en belangrijker ontwikkelingen zijn (wetenschappelijk doorbraken etc.) hoe langer we moeten nadenken, en hoe meer we daarbij ons onbewuste zullen moeten gebruiken. Lang aandacht kunnen hebben bij iets, en in stilte zonder allerlei flitsende geluiden en prikkels van buitenaf (lees: het zitten achter schermen) de mogelijkheid te hebben om overdag te dromen, zijn dus van groot belang voor de hersenen.
Om later tot ‘grootse prestaties’ te kunnen komen, moet een kind eerst de ruimte en tijd krijgen voor ogenschijnlijk ‘ongeïnspireerd’ spel, wat in werkelijkheid de bron van alle inspiratie is. Het is belangrijk dat er veel momenten van ‘niets doen’ mogelijk zijn (Dijksterhuis, 2022). Het blijkt dat een kind ruimte moet hebben voor momenten zoals na het thuiskomen even niets moeten, onderweg in de auto of op de fiets zonder entertainment, voor af na het eten even rondhangen of tijdens het spelen zich mogen vervelen en dan zelf met iets nieuws komen. In algemenere termen over het menselijk brein wordt de stand-bymodus in verband gebracht met creativiteit en is deze hersenactiviteit voornamelijk associatief (Lamers, 2022).
Dagdromen of vervelen blijkt dan ook geen tijdverspilling, maar essentieel voor herstel, het zorgt voor consolidatie van het geheugen. Dát wat je nét hebt geleerd, wordt verwerk.
De dagdroommodus, het DMN (het Default Mode Network) legt verbanden tussen ogenschijnlijk losse ideeën en juist in de kindertijd wordt dit netwerk voor zelfreflectie en intern denken gevormd.
Terugkomend op mijn vraag wat het effect voor jonge kinderen is van alle digitale prikkels, smartphones, tablets en tv hebben een potentieel verstorend effect op de ontwikkeling van het jonge brein (Lamers, 2022), met name bij kinderen onder de 6 jaar.
Het jonge brein heeft veel momenten van ‘niets doen’ nodig en ontwikkelt zich juist optimaal door interactie met mensen en de fysieke wereld.
Samenvattend tref ik informatie dat het advies voor de schermtijd richtlijn doorgaans wordt overschreden en dat het voor jonge kinderen erg belangrijk is om interactie met mensen en de fysieke wereld te hebben om optimaal te ontwikkelen.
Deelvraag 5
Welke zaken stimuleren verbeelding en fantasie?
Een stimulerende omgeving is de sleutel om het talent van kinderen zo goed mogelijk te ontwikkelen en die omgeving is heel ruim, het zijn niet alleen de ouders, de school en de leeftijdsgenoten, het zijn ook grootouders, de buurt en zelfs de samenleving als geheel.
Veel meer dan nu gebeurt, zou die omgeving de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen moeten stimuleren. Te veel talent blijft onbenut. Zo lees ik in een boek over hersenen, gedrag en educatie (Jolles, 2010).
Het fantaseren en het magische denken bij jonge kinderen vormen een gezonde, natuurlijke manier om de wereld te verkennen en emoties te verwerken (Fraiberg, 2010).
Vragen stellen die de fantasie stimuleren kán kinderen helpen hun innerlijke wereld te uiten en het creatief denken te ontwikkelen.
Dit kunnen:
- open vragen zijn die ruimte geven tot verhaalvorming
- vragen die voortbouwen op magische denken, vragen die de grenzen van realiteit oprekken (wat als...)
- vragen die emoties en fantasie verbinden
- vragen die voortkomen uit rollenspel, natuur- en dierverbeeldingsvragen
Fraiberg nodigt uit vragen te stellen die de magische wereld verwelkomen, je helpt het kind daarmee emotioneel en cognitief te groeien.
Samenvattend is het nodig om hersenen hierin te stimuleren zoals hierboven toegelicht, een mens moet ruimte krijgen om verhalen te vormen en de fantasie te laten stromen.
De uitwerking op deze deelvraag houd ik wat kort en ga in het volgende deel wat dieper in op de vraag wat de kleuterleerkracht in het basisonderwijs kan doen om de fantasie en verbeelding te stimuleren.
Hoofdvraag 2
Hoe kunnen fantasie en verbeelding van kleuters gestimuleerd worden door de kleuterleerkracht?
Om deze vraag vanuit mijn brononderzoek te beantwoorden start ik met een verhalend voorbeeld. Tijdens mijn zoektocht naar bronnen trof ik in een artikel door kunstenaar en onderwijsdesigner Anne Graswinckel (Kunst Centraal, 2023b), zij beschrijft daarin een voorbeeld om de creativiteit en verbeelding te laten stromen die voor, zoals gebleken meestal praktisch ingestelde kleuterleerkrachten, mogelijk goed kan werken. Voor een team vakdocenten bedacht zij een werkvorm over de lente. Ze legden zichzelf toen de beperking op dat het niet mocht gaan over jonge diertjes. Het grappige was dat toen zij dat obstakel hadden ingevoerd, de ideeën bij iedereen gingen stromen. Er ontstaat dan chemie, zij benoemt het als iets ‘dat je optilt’ zodat de verbeelding het overneemt.
Om te toetsen of dit bij jonge kinderen ook zo werkt, heb ik in mijn praktijkonderzoek bij de uitleg van de opdracht uitgelegd dat je in ieder geval allemaal een ánder fantasie monster tekent dan de andere klasgenoten zodat je elkaar niet kunt nadoen, ik heb de kinderen gevraagd de ogen dicht te doen en in te beelden hoe het monster er uit kan zien. Dit is voor veel kinderen een uitdaging als je in een klas vol leeftijdsgenoten zit. Al is het niet één op één vergelijkbaar met bovenstaande voorbeeld, het effect dat ik er mee bereikte was dat de kinderen even in het eigen hoofd keken om iets heel eigens te bedenken.
Ten tweede neem ik in dit onderzoek een aantal voorbeelden over met een meer pedagogische benadering, dit komt uit het artikel ‘Een theoretisch kader voor verwondering in het onderwijs’.
Deze zouden behulpzaam zijn en handvatten geven aan leerkrachten, hiermee kunnen zij verwondering bij leerlingen stimuleren via acht strategieën (Conijn et al., 2021b):
Sensitief meebeleven – oog hebben voor en meegaan in de persoonlijke verwondering van leerlingen.
Eigen verwondering tonen – zelf fascinatie delen; toont een waardevolle, aantrekkelijke manier van kijken.
Onderzoeken en experimenteren – ruimte bieden voor voorspellen, hypothese toetsen en reflectie.
Betekenisgeving stimuleren – laten werken aan relevante onderwerpen en verbinding met eigen leven leggen.
Verbeelding prikkelen – via verhalen of kunstwerken verrassing en fascinatie oproepen.
Het vertrouwde “onvertrouwd” maken – het bijzondere in alledaagse dingen leren zien.
Contemplatie aanmoedigen – aandachtig waarnemen met al je zintuigen, bijvoorbeeld door rustig observeren.
Verrijkte leeromgeving bieden – inspirerende settings (zoals kunst) die uitnodigen tot open en ongewone manieren van kijken.
In aansluiting op deze acht strategieën heb ik mijn heb ik praktijkonderzoek opgebouwd, gezorgd voor verrijkend materiaal dat de verbeelding prikkelt (bijlage 1) en eigen verwondering getoond, heb mijn hypothese getoetst en met de kinderen in de kring gereflecteerd en de werkstukken vóór en na mijn interventie vergeleken, de conclusie beschreven in bijlage 1, samenvattend is bij het overgrote deel van deze kleutergroep een toename in fantasie bij het werkstuk ná de interventie te zien.
In de derde plaats zal ik nu de visie van de leerkracht en onderbouwcoördinator uit mijn eigen praktijkonderzoek als bron benutten. In het interview en gesprekken met de kleuterleerkrachten is het een goed idee om de leerlingen meer te betrekken bij het vormen van ideeën gekoppeld aan thema's, daarbij is niet de praktische uitvoering per se leidend, maar is het ook goed te kijken naar de ideeën die de kinderen zelf kunnen bedenken en daarbij samen bedenken wat ervoor nodig is om dit te gaan uitvoeren.
Een zeer relevant deel van het interview met een onderbouwcoördinator voor het beantwoorden van de vraag hoe fantasie en verbeelding van kleuters door de kleuterleerkracht gestimuleerd kan worden vat ik hierbij samen: kleuters stimuleren tot het spelen van rollenspel, met blokken een “onbewoond eiland” bouwen of verhaal verzinnen bij een tekening. Open-ended speelmaterialen aanbieden (rijke leeromgeving), een kartonnen doos kan bijvoorbeeld een raket zijn. Het is goed om procesgericht te werken (i.p.v zeggen we maken vandaag allemaal dit werkje, vraag je “Hoe zou het huis van een reus eruit zien?”). En tenslotte aansluiten bij de spelwereld van het kind met de ‘Ja, en...’-houding (als een kind zegt dat de zandbak een soepfabriek is, vraag dan: “Welke ingrediënten hebben we nog nodig voor de magische soep?”).
Samenvattend heb ik tijdens dit brononderzoek de juiste methoden, ideeën en strategieën kunnen vinden om fantasie en verbeelding bij kleuters het best te stimuleren. Het doen van het praktijkonderzoek en de gesprekken met kleuterleerkrachten, onderbouwcoördinator en met de kleuters waren verhelderend en geeft inzicht op het gebied van mijn hypothese. Hierop zal ik kort reflecteren in mijn conclusie.
Praktijkonderzoek Kleuters
Het praktijkonderzoek (tekening vooraf – interventie: het verhaal van “Kafloem en de verdrietige Bleurb” en het gebruik van het schaduwtheater – tekening naderhand) heb ik als verslag uitgewerkt in bijlage 1. Hierin is veel beeldmateriaal opgenomen en heb ik conclusies getrokken wat de interventie heeft opgeleverd.
Naar aanleiding van dit onderzoek kan ik in principe een educatief product ontwerpen: een fantasievolle vormgegeven geplastificeerde vragenkaart om de fantasie en verbeelding te stimuleren (geschikt voor professionals die met jonge kinderen werken en ouders/verzorgers van kleuters).
Uitwerking interview met kleuterleerkracht en onderbouwcoördinator
Interview met een kleuterleerkracht
(opgenomen gesprek grotendeels letterlijk uitgetypt)
- Op basis van de huidige kerndoelen: wat staat er in het leerplan van school voor kleuters als het gaat om het ontwikkelen van fantasie/verbeelding?
Met de kleuters maken we creaties en gaan we bezig met de thema's en alles wat daaraan gekoppeld is en kijken we ook wel naar de kerndoelen. Maar eigenlijk pas vanaf groep 3 wordt er heel veel gedaan met Kunst en Co (culturele organisatie in de regio) en wordt er door de kunstdocenten iedere week geknutseld en die hebben natuurlijk ook een heel goed beeld wat de doelen zijn. Ik merk op: voordeel is dan inderdaad dat je als leerkracht zelf meer zicht hebt op de ontwikkeling van de fantasie en daar stemt de leerkracht mee in. Ze moet wel eerlijk zeggen dat als ze zelf creatieve werkjes gaat zoeken voor de kleuters zij veel op internet zoekt en niet alle doelen zullen aan bod komen, daar heeft ze niet echt een overzicht van en zegt: “We houden dat dus niet echt per se goed bij”.
Vraag: check je dan vooral op vaardigheid (motoriek)? Ja, heel erg. Dat is een groot punt inderdaad van ‘hoe moet je knippen’ ‘hoe houd je een potlood vast'.
M.b.t. fantasie en verbeelding en hóe je iets vertelt, daarop reageert de leerkracht met dat dát daardoor inderdaad snel wegvalt en minder de aandacht heeft en dit is inderdaad een beetje een valkuil. Ik heb aan de leerkracht verteld dat dit iets is wat ik in literatuur bij brononderzoek ook tegenkom.
Concluderend m.b.t. deze vraag is mijn hypothese in dit gesprek grotendeels bevestigd vanuit de praktijk in het reguliere primair onderwijs.
- Kun je iets vertellen over hoe je als leerkracht het proces van creatieve ontwikkeling bij kleuters stimuleert en volgt?
Dit is in feite bij vraag 1 wel beantwoord, ik heb de leerkracht daarom gevraagd of er nog een ander soort methodiek is om de ontwikkeling te volgen. Zij reageert bevestigend m.b.t. stimuleren (bijvoorbeeld met een fantasievol verhaal als Kafloemm): “Dat hebben kleuters gewoon heel erg nodig. Dus bijvoorbeeld een mooi verhaal, een spannend spel, of iets waarmee je ze triggert om iets moois te gaan maken en dat hebben ze nodig om hun fantasie op te wekken."
Ze bevestigt dat dit inderdaad ook gebeurde bij mijn 1e les met mijn opdracht van ‘ga maar iets maken’ dat sommige kleuters dan dichtklappen (wát moet ik dan gaan doen, geen idee) en dan merk je dat als je het verhaal van Kafloemm eraan koppelt je veel meer uit de kinderen krijgt.
Ze vertelt verder dat ze veel voorlezen, ook wel toneelstukjes rondom een thema doen als leerkrachten. Wat betreft het volgen van de ontwikkeling vertelt ze: “Bepaalde creatieve doelen zitten ook wel in de rapporten die we afnemen dus daarin volgen we het wél.
Maar nogmaals die kerndoelen, ik denk dat we toch allemaal iets te weinig aan bod hebben laten komen”.
- Het SLO actualiseert de kerndoelen (voor wat betreft Kunst en Cultuur meer aandacht voor het ontwikkelen van verbeelding), wat is jouw visie als leerkracht op dit gebied? Is het belangrijk hier juist aandacht aan te besteden voordat er gestart wordt met het leren lezen en rekenen etc..?
De leerkracht beaamt dat het zéker wel belangrijk is aandacht te besteden aan de creatieve ontwikkeling voordat kleuters starten met formeel leren (zoals rekenen en schrijven). “In een gedigitaliseerde samenleving wordt er al zoveel voor kinderen bedacht en is er al van alles automatisch te zien. Ik denk dat ze dan ook minder leren zoals ‘hoe kan ik dingen verbeelden of bedenken?’ ”. Er speelt inderdaad heel veel in de wereld en de leerkracht denkt zeker wel dat het heel belangrijk is om dat verbeelden te kunnen en te leren. “Want dat kan je niet meteen, sommige kinderen hebben dat wel en sommige niet. Wel interessant om over te denken: hoe leer je dat aan kinderen?“
Ik vertel haar over het kinderbrein en de magische wereld om de wereld te leren begrijpen. En dat de aanleg hierin snel een beetje lijkt te verdwijnen als je op de kleuterschool aan de slag gaat met leren van bijvoorbeeld ook abstracte dingen als letters en cijfers.
De leerkracht beaamt dat er inderdaad al snel veel van ze wordt gevraagd wat dat betreft. Ze denkt dat daar best meer aandacht voor mag zijn, bijvoorbeeld ook zoals er al snel veel dingen voor de kinderen wordt bedacht om zo aan thema's te werken. Dus niet zeggen ‘dit is wat we doen’ maar samen met de kinderen bij een thema kunnen nadenken ‘wat zouden we kunnen doen’ en ‘wat hebben we dan nodig’. Het is natuurlijk vooral ook praktisch en efficiënter om dit als leerkracht zélf tevoren te bedenken en voor te bereiden.
Ik heb in dit gesprek uitgelegd dat ik een vragenkaart kan gaan maken en zal dan in dit soort vraagstellingen mee proberen te denken hoe je bovenstaande een beetje zou kunnen doen, daarop reageert de leerkracht zeer positief.
- Heb je ideeën hoe je de ontwikkeling van creativiteit (verbeelding/fantasie) het beste kunt begeleiden bij kinderen in groep één en twee?
Dit is niet echt van toepassing i.v.m. de creatieve activiteiten door een externe culturele organisatie vanaf groep drie. We hebben nog even gesproken over het voordeel dat juist in de kleuterklassen de creativiteit daardoor nog door de kleuterleerkrachten zelf gevolgd kan worden, maar inhoudelijk blijft het in dit gesprek op hetzelfde neerkomen als bij eerdere vragen is besproken.
[audio opname van dit interview bij auteur aanwezig]
Interview met een onderbouwcoördinator
(antwoorden via mail ontvangen)
- Op basis van de huidige kerndoelen: wat staat er in het leerplan van school voor kleuters als het gaat om het ontwikkelen van fantasie/verbeelding?
Hoewel de huidige doelen soms wat abstract zijn, staat er in de kern dat leerlingen:
- Beelden, taal, muziek, spel en beweging leren gebruiken om gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om te communiceren
- Leren om te gaan met verschillende materialen en technieken
- Eigen creatieve processen doorlopen, waarbij het "doen" belangrijker is dan het eindproduct.
- Kun je iets vertellen over hoe een kleuterleerkracht het proces van creatieve ontwikkeling stimuleert en volgt?
In de praktijk betekent dit dat kleuters gestimuleerd worden om in de huishoek een rollenspel te spelen, met blokken een "onbewoond eiland" te bouwen of een verhaal te verzinnen bij een tekening. Stimuleren: · Rijke leeromgeving: Bied materialen aan die 'open-ended' zijn. Een kartonnen doos kan een raket zijn, een kasteel of een boot; procesgericht werken: In plaats van te zeggen "we maken vandaag allemaal deze kerstboom", vraag je: "Hoe zou het huis van een reus eruitzien?"; de 'Ja, en...'-houding: Sluit aan bij de spelwereld van het kind. Als een kind zegt dat de zandbak een soepfabriek is, vraag dan: "Welke ingrediënten hebben we nog nodig voor de magische soep?"
- Het SLO actualiseert de kerndoelen (voor wat betreft Kunst en Cultuur meer aandacht voor het ontwikkelen van verbeelding), wat is jouw visie als leerkracht op dit gebied? Is het belangrijk hier juist aandacht aan te besteden voordat er gestart wordt met het leren lezen en rekenen etc..?
Het ontwikkelen van de verbeelding is de basis. Verbeelding is namelijk de basis voor:
- Probleemoplossend vermogen: Wie kan fantaseren, kan later ook verschillende oplossingen voor een wiskundig probleem bedenken; 2. Empathie: Je verplaatsen in een personage in de poppenhoek is de eerste stap naar het begrijpen van de gevoelens van een ander; 3. Begrijpend lezen: Om later een tekst te begrijpen, moet je in je hoofd een beeld kunnen vormen van wat er geschreven staat. Dat is pure verbeelding.
- Heb je ideeën hoe je de ontwikkeling van creativiteit (verbeelding/fantasie) het beste kunt begeleiden bij kinderen in groep één en twee?
De beste begeleiding is nieuwsgierigheid tonen. In plaats van te vragen "Wat heb je gemaakt?", kun je zeggen: "Vertel eens over je kunstwerk." Hiermee geef je het kind de ruimte om de verbeelding achter het product te verwoorden.
Literatuur en bronnen
Dijksterhuis, A. (2022). Inspiratie: hoe we tot grootse prestaties komen. Uitgeverij Prometheus Amsterdam.
Fraiberg, S. (2010). De magische wereld van het kind. Uitgeverij Uniehoek - Het Spectrum bv Houten.
Goorhuis-Brouw, S. (2018). Peuters en Kleuters zijn geen leerlingen. Uitgeverij SWP Amsterdam.
Jolles, J. (2011). Ellis en het verbreinen: over hersenen, gedrag & educatie. Neuropsych Publishers.
Lamers, T., & Hilster-Verhart, M. (2022). Groei, leren en ontwikkelen: het brein als basis. Koninklijke van Gorcum Assen.
Van Onna, J., & Jacobse, A. (2025). Laat maar zien: procesgerichte didactiek voor beeldend onderwijs.
Conijn, J., Van Gulick, H. L., Rietdijk, W., Andre, L., & Schinkel, A. (2021b). Een Theoretisch Kader voor Verwondering in het Onderwijs. Pedagogiek, 41(2), 151–174. https://doi.org/10.5117/ped2021.2.002.coni
Etuconsult. (2012, 10 april). Mark Mieras - Kunsteducatie: broodnodig voor het kinderbrein [Video]. YouTube. Geraadpleegd op 7 januari 2026, https://www.youtube.com/watch?v=ip2D4vdgObI
Kunst Centraal. (2023b, mei 23). Veerkracht, verbeelding en verdwalen –– Kunst Centraal. https://kunstcentraal.l/prikkels/reactie/veerkracht-verbeelding-en-verdwalen/
Lectoraat Kunsteducatie, Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, Haanstra, F., Bremmer, M., Heijnen, E., Dieleman, C., Van Hoek, E., Reus, L., & Schönau, D. (2024). KUNSTZINNIGE ORIËNTATIE: WAT WERKT IN KUNSTZINNIGE ORIËNTATIE Reviewstudie naar beïnvloedbare factoren voor leerprestaties bij kunstzinnige oriëntatie in het primair onderwijs. In Lectoraat Kunsteducatie. https://www.ahk.nl/media/ahk/user_upload/Rapport_AHK__Wat_werkt_in_kunstzinnige_orientatie__1_.pdf
MoccaTV. (2023, 6 november). Cultuureducatie op voorscholen [Video]. YouTube. Geraadpleegd op 18 januari 2026, https://www.youtube.com/watch?v=gEVFJMjYQiA
Saaltink, H., Van Heusden, B., Van Dijk, M., Boland, A. (2022). “Ik maak een kompas dat altijd bij je is!”: Verbeeldend denken in artefacten van jonge kinderen, Cultuur+Educatie, jaargang 21, nummer 61.
Scherder, A. Actieve en passieve kunstbeoefening goed voor de hersenen, Boekman, 104 pag. 4, 5 Geraadpleegd op 7 januari 2026, van https://www.boekman.nl/wpcontent/uploads/2021/08/bm104_scherder_ actieve.pdf
IJzermans, L., Bakx, A. (2011). Welke is ook alweer van mij, juf?: 'Werkjes’ ontnemen kleuters creatief proces, Didaktief, nr 3, p. 23.
Van Der Meijs, F. (2024, 5 april). Jonge kinderen zitten vaak achter een scherm zonder begeleiding van ouders. Trimbos-instituut. https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/jonge-kinderen-zitten-vaak-achter-een-scherm-zonderbegeleiding-van-ouders/
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Praktijkonderzoek bij de kleuters van een RK basisschool in een kindcentrum
(drie kunstlessen op 13, 17 en 20 januari 2026)
Bij mijn eerste bezoek aan de kleuterklas hebben we kennisgemaakt en heb ik verder weinig verteld en ‘out of the blue’ gevraagd om met kleurpotloden alléén een fantasiefiguur (een monster) te tekenen zo groot als het tekenblad (A4). Samen met hun eigen leerkracht ben ik na ongeveer een kwartier tekenen langs iedere kleuter gegaan om de naam van de kleuter op de tekening te schrijven en op de achterkant kort te noteren wat zij over hun tekening konden vertellen (bijvoorbeeld of het figuur of monster een naam had, wat het kan, waar het woont enz..). Ik heb de leerkracht gevraagd de kinderen tijdens het tekenen niet te helpen als ze niets konden bedenken, en heb van tevoren weinig tot geen ideeën genoemd. Wél heb ik, om te testen wat hiermee gedaan zou worden een jongetje zijn hobby gevraagd (dit was voetbal) en gezegd: "Nou, dan kun je bijvoorbeeld een voetbalmonster tekenen, maar verzinnen jullie zélf eerst in je hoofd hoe je monster er uit gaat zien en probeer het maar te tekenen”. Ik heb de kleuters duidelijk gevraagd niet te kijken bij de ander, zodat iedere tekening anders zou worden, voor sommigen is dit lastig geweest en leken ze toch nog wat op elkaar en gaven ze eenzelfde soort naam of omschrijving. Na het tekenen hebben we in de kring gezeten en heb gevraagd of het makkelijk was, of moeilijk. Daarop geven enkele kleuters aan dat het tekenen heel makkelijk is, maar het bedenken van een naam en een verhaal over het monster bedenken minder makkelijk is.
Ten behoeve van dit praktijkonderzoek met kleuters in het reguliere onderwijs heb ik voor mijn tweede bezoek een prentenboek gemaakt en een verhaal geschreven met als doel het stimuleren van de verbeelding. Ik heb de prenten verwerkt in een korte film waarbij ik een verhaal vertel over Kafloemm, een tovenares die een verdrietige bewoner van de planeet Bleurb helpt. Daarná hebben de kleuters een eigen stokpoppetjes geknutseld waarbij de vraag was om niet te kijken bij je klasgenoten zodat ze allemaal anders zouden worden.
Het verhaal dat de kleuters hebben gezien/gehoord in een notendop:
Kafloemm vliegt door het heelal en helpt planeetbewoners als dat nodig is. Ze heeft een toverbol en een toverster. In haar bol ziet ze een heel verdrietige bewoner van de planeet Bleurb en gaat ernaartoe. De huilende ‘druppel’ vertelt dat hij het niet leuk vindt dat hij er precies zo uit ziet als alle anderen. Ze tovert dan een tovercirkel. Dit nodigt uit om er doorheen te vliegen. Als de druppel er aan de andere kant uit komt ziet hij er ineens heel anders uit en vertelt dat als je je ogen dicht doet en voor je ziet hoe je er uit wilt zien, je er dan zo aan de andere kant uit komt. Alle andere druppels vliegen er ook door heen en daar na ziet iedereen er anders uit. Sommige Bleurbs hebben een heel gekke andere vorm, sommige zijn heel grappig, en ze hebben allen een andere kleur. De Bleurb die zo verdrietig was, is heel erg blij en daarom vertrekt Kafloemm weer.
Tijdens mijn derde bezoek hebben de kleuters opnieuw een tekening gemaakt, nu met rijker materiaal, namelijk gekleurd papier en kleurige softpastelkrijt. Ik heb voordat ze gingen tekenen, mijn originele tekeningen van het verhaal van de Bleurb laten zien en heb het verhaal samen met ze herhaald. Ze wisten het verhaal nog heel goed. Daarna de andere fantasiefiguren geïntroduceerd en de voor een ander vak vorig jaar gemaakte Userinterface voor schaduw-theaters op mijn laptop aangezet. De fantasie geprikkeld door te vertellen dat de figuren van andere planeten komen. De kinderen mochten een keuze maken uit drie fantasiefiguren en zagen op mijn laptop bewegende beelden en hoorden geluiden uit de natuur (vogels, krekels enz). Ze kozen allemaal voor het blauwe fantasiefiguur.
Eén van de kinderen keek met grote ogen naar het figuur en vroeg aan mij heel serieus: “Kan ze écht bewegen?”. Ik heb geantwoord: “Wie weet .....”
We hebben het spel gedaan met het eigen stokpoppetjes in het schaduwtheater met licht van onderaf, een cirkelvormige regenboog (zoals in het verhaal van Kafloemm). De ogen gingen bij allemaal sprankelen en de aandacht was er de gehele tijd goed bij.
Dat de Bleurbs de ogen dicht doen en zo bedenken hoe ze er uit willen zien als ze door de toverpoort vliegen, heb ik extra goed aan de kleuters uitgelegd om zo de verbeelding aan te spreken. Tijdens het spel heb ik de kleuters vragen gesteld om de fantasie op gang te brengen. Ik nodigde ze uit te bedenken waar de schaduw van het eigen stokpoppetje op leek en kreeg antwoorden als ‘een elfje’, ‘een vlinder’, ‘een kabouter’, ‘een prinsesje met vleugels’, ‘een gek draakje met stekels’ enzovoort. Ik stelde open vragen over de omgeving en wat er gebeurde en liet ze vertellen. Daarna mochten de kleuters aan tafel op gekleurd papier met pastelkrijt opnieuw een fantasiefiguur gaan tekenen.
Met de leerkracht hebben we de naam van de kleuter opgeschreven en op de achterkant van de tekening weer iets over het figuur.
Resultaten
Na de interventie met het verhaal van Kafloemm, het maken van een eigen stokpoppetje en het fantaseren bij het schaduwtheater tussen de beide tekeningen in, vergelijk ik de tekening en omschrijving van bezoek 1 en de tekening en omschrijving van bezoek 3 ten opzichte van elkaar en of er meer fantasie is gebruikt in de tweede tekening en omschrijving. En ook al is dit slechts een ‘momentopname’ van drie kunstlessen, er zijn verschillen waarneembaar en ik plaats een ‘-’ als er bij tekening 2 minder fantasie is gebruikt, een ‘0’ als er vrijwel geen fantasie is gebruikt of als de fantasie gelijk is gebleven en een ‘+’ als er een beetje, ‘++’ als er meer of ‘+++’ als er veel meer fantasie is gebruikt in tekening 2.
kleuter 1: blijft bij 1e idee, met iets meer fantasie (wonen in bos) +
kleuter 2: gebruikt bij 2e tekening veel meer fantasie, leeft zich uit in haar verhaal. +++
kleuter 3: gebruikt meer fantasie bij tek. 2, bij tek, 1 nog de voetbal in de tekening +
kleuter 4: geen fantasie in de uitleg, tek. 2 gaf door ander materiaal meer fantasie in tekenen +
kleuter 5: duidelijk meer fantasie in tek. 2, bij tek. 1 een omschrijving door leerkracht beschreven ++
kleuter 6: in beide even veel fantasie, is bij tek. 2 met materiaal gaan experimenteren 0
kleuter 7: gebruikt in tek. 2 meer fantasie met name in de omschrijving +
kleuter 8: gebruikt in tek. 2 meer fantasie in de omschrijving +
kleuter 9: gebruikt in tek. 2 meer fantasie in de omschrijving +
kleuter 10: duidelijk meer fantasie bij tek, 2 ++
kleuter 11: geen verandering tussen tek. 1 en 2 in omschrijving en idee, tek. 2 met fantasie getekend +
kleuter 12: geen verandering tussen tek. 1 en 2, gebruikt social media ‘6 7’ in omschrijving 0
kleuter 13: geen verandering, gebruikt voetbal in de tekening 0
kleuter 14: geen verandering, weinig fantasie in de omschrijving 0
Meer fantasie gebruikt: 14 keer een ‘+'
Gelijkblijvend: 5 keer een ‘0’
Minder fantasie gebruikt: geen enkele keer een ‘-’
Conclusie
Over het geheel is bij het overgrote deel van deze veertien kleuters na de interventie waarmee de verbeelding en fantasie zo veel mogelijk is geprikkeld, bij de tweede tekening zowel bij het tekenen als bij het omschrijven van de tekeningen wat toegenomen. Bij twee kleuters is de invloed van mijn woorden ‘maak evt een voetbalmonster’ tijdens eerste instructie, bij de tweede tekening nog van invloed. Bij vier van deze veertien kleuters heeft de interventie geen invloed op de tweede tekening.
Conclusie en slotwoord
Dit brononderzoek bevestigt de kracht en het belang van vroege investering in fantasie en verbeelding bij kleuters. Wetenschappelijke inzichten tonen aan dat verbeeldingskracht de basis legt voor veerkracht, innovatie en emotionele intelligentie. En dit zijn kwaliteiten die onmisbaar zijn in onze kenniseconomie.
Positieve ontwikkelingen en kansen
Allereerst lijkt er groeiende bewustwording bij leerkrachten te bestaan over het belang van fantasieontwikkeling vóór de start van formeel leren. Dit sluit aan bij een veelbelovende landelijke ontwikkeling: de actualisatie van de kerndoelen voor Kunst en Cultuur, waarin verbeelding een prominentere rol krijgt. Dit biedt kansen om creatief denken structureel te verankeren in het onderwijs.
Waardevolle inzichten uit de praktijk
Het praktijkonderzoek levert hoopvolle resultaten op: bij tien van de veertien kleuters nam de fantasie zichtbaar toe na een gerichte interventie. Dit toont aan dat doelbewuste stimulering van verbeelding werkt en dat kleuters hier direct op reageren. De gesprekken met leerkrachten en kleuters gaven mij verdiepend inzicht in hoe fantasie en verbeelding bij kleuters optimaal kan worden geprikkeld.
Praktische bijdrage
De vragenkaart voor fantasiegesprekken die n.a.v. dit brononderzoek gemaakt kan worden, biedt leerkrachten, professionals en ouders een concrete handreiking. De kernboodschap is hoopvol en uitnodigend: door als volwassene een respectvolle en nieuwsgierige mede-verkenner te worden in plaats van kinderen te snel terug te trekken naar 'de echte wereld', openen we de deur naar hun rijke innerlijke belevingswereld.
Vooruitblik
Hoewel er nog stappen te zetten zijn in curriculumontwikkeling voor het kleuteronderwijs, bieden de bewustwording bij leerkrachten, de landelijke curriculumontwikkelingen en de positieve onderzoekresultaten een stevige basis.
Met de juiste aandacht en werkwijze kan fantasie een volwaardige plek krijgen in de ontwikkeling van jonge kinderen.
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Dit brononderzoek is gescheven in het studie jaar 2025/2026 voor de bachelor hbo Docent Beeldende Kunst en Vormgeving, ArtEZ Arnhem.
Student: Sanne van der Kaaij
Contact: Info@sannahkay.com
Website: www.SannahKay.com
Instagram: Sannah_kay
Facebook: www.facebook.com/sanne.vanderkaaij.5
LinkedIn: www.linkedin.com/in/sanne-versteeg-van-der-kaaij-6a8a75117